Nederlandse titel proefschrift Wederkerigheidspatronen in regionale samenwerkingsverbanden: een gedragstheoretische benadering
Engelse titel proefschrift Succes of collaborations between public organizations: how conditions for reciprocal behavior reinforce the performance of the collaborations
Promovendus Zuidersma, Jelly
Gepromoveerde is verpleegkundige (geweest)
Universiteit Rijksuniversiteit Groningen
Datum promotie 29/03/2022
Promotores Prof. dr. M.C. Timmerman & prof. dr. P.N. Kenis
Linkedin-account linkedin.com
Researchgate-url researchgate.net
Abstract (Engels)

8.1 Introduction (Chapter 1)

The Dutch Government is increasingly encouraging cooperation between local governments, health care, welfare and education, but little is known about factors leading to success of such partnerships. In the literature, the structural approach and the importance of trust are central themes in this context, but less focus is on the behavioral approach. In this dissertation, case studies are done of conditions and behavior that determine the success of these partnerships.
Regional nursing and care partnerships are discussed. Chapter 1 gives a reconstruction of policy in decision-making about these partnerships. The Ministry of OCW1 wanted to control the entire educational system and the institutions wished to continue their own vocational training; there used to be an underlying struggle for control. This underlying struggle influenced the decision-making and implementation process. The decision-making process changed from an educational system with only full-time education to a coherent system of education with both full-time education and day release courses (learning through a combination of going to school and working). The reconstruction policy mentioned above yields four empirical findings: 1. The government does not enforce policy on the organizations involved, but organizations form regional partnerships. These regions were expected to produce sufficient good internships and jobs for nursing and care. 2. The educational and care organizations in the regions had to take responsibility for good quantitative and qualitative education in nursing and care. 3. There are conflicting interests, self-interest versus general interest, between and within the members of the partnerships. 4. The form in which the partnerships could organize themselves was open. Against this background, the research question was formulated: “What are success factors in regional partnerships for nursing and care?”

8.2 Theoretical background (Chapter 2)
Chapter 2 describes how the research question was studied deductively. The theoretical insights, the shortcomings and the usability are discussed. Important insights were provided by theories about targeted networks, organization of networks, social capital and trust. Targeted networks had proven themselves as a form of coordination to achieve joint goals. In addition, the necessary insights were obtained on the organization and the administrative design of targeted networks. Also the importance of social capital for organizations in such networks and the importance of confidence offered important insights, such as the large availability of social capital for organizations if they knew how to use it. Trust did not always prove to be equally important or necessary for positive outcomes of cooperation. A high degree of mutual trust could lead to negative effects under certain circumstances, because the actors involved became less critical, and opinions were more directed towards each other than towards relevant developments outside the context of the network.
Little was known about how groups of employees of various organizations with opposing interests behaved within networks of similar organizations. Additionally, little empirical research was available about the relation between group behavior within the network. This was caused by methodological problems. It was difficult to examine the network as a unit of analysis and to formulate and study the success of the network as a dependent variable of the network.
By interpreting the regional nurse and care partnership as a ‘social situation’, it was possible to use more sociological approaches of networks, namely those of Weber, Coleman and Durkheim. A useful concept to understand a regional nurse and care partnership as a social situation is the approach of these sociologists: ”All structures are results of behavior” (Ultee, Flap & Arts, 2003).
The opposing interests of the members involved and the way in which they interact as a group should be examined in the partnerships. The Macro-Micro-Macro Model of Coleman (1990) offered connecting points to understand the behavior of the members in these circumstances.
The research question could be examined deductively by using the theory of reciprocity. Previous research showed that there are two fundamental forms of behavior: reciprocity and status behavior. The theory of reciprocity distinguishes multiple equilibria: free-rider behavior, intolerant, tolerant, and dedicated tolerant reciprocal behavior.

See dissertation for the complete summary.

Abstract (Nederlands)

8.1 Inleiding (Hoofdstuk 1)

Ondanks dat de overheid steeds meer stimuleert tot samenwerking tussen lokale overheden, zorg-, welzijns- en onderwijsinstellingen is er weinig bekend over succesfactoren. In de onderzoeksliteratuur staat de structuurbenadering en het belang van vertrouwen centraal, maar er is weinig aandacht voor een gedragstheoretische benadering. Dit was aanleiding voor een case-study naar voorwaarden en gedrag die het succes van deze samenwerkingsverbanden bepalen.

Regionale samenwerkingsverbanden Verpleging en Verzorging vormen de casuïstiek voor dit proefschrift en in hoofdstuk 1 is een beleidsreconstructie gegeven van de besluitvorming rondom “regionale samenwerkingsverbanden Verpleging en Verzorging”. Er was sprake van een achterliggende strijd om de zeggenschap, OCW wilde zeggenschap over het hele onderwijs maar instellingen eisten deze op over hun eigen beroepsopleidingen. Deze achterliggende strijd kleurde het besluitvormings- en implementatietraject, dat bijzondere wendingen kende, van een totaal vervangend stelsel aan opleidingen (alleen BOL opleidingen) naar een samenhangend stelsel aan opleidingen (zowel BOL als BBL opleidingen). Vanuit deze beleidsreconstructie werden vier empirische vaststellingen gedaan: 1. De regio was aan zet, 2. er werd een product van de regio verwacht, namelijk voldoende goede stageplaatsen en voldoende goede banen, 3. er was sprake van tegengestelde belangen versus algemeen belang, tussen zorginstellingen onderling, tussen onderwijsinstellingen onderling en tussen zorg- en onderwijsinstellingen en 4. de vorm waarin de samenwerking georganiseerd moest worden, was open. Tegen die achtergrond werd de onderzoeksvraag geformuleerd:
“Wat zijn succesfactoren van regionale samenwerkingsverbanden Verpleging en Verzorging?”

8.2 Theoretische achtergrond (Hoofdstuk 2)
In hoofdstuk 2 is beschreven in hoeverre de onderzoeksvraag “Wat zijn succesfactoren van regionale samenwerkingsverbanden Verpleging en Verzorging?” deductief onderzocht kon worden. Welke theoretische inzichten zijn er voorhanden, welke tekortkomingen kleven er aan deze theoretische inzichten en welke konden benut worden in dit proefschrift? Het bleek dat vooral theoretische inzichten over doelgerichte netwerken, organisatie van netwerken, sociaal kapitaal en vertrouwen belangrijke inzichten gaven. Zo hadden doelgerichte netwerken zich bewezen als vorm van coördinatie om gezamenlijke doelen te verwezenlijken en werden de nodige inzichten verkregen over de organisatie en de bestuurlijke vormgeving van doelgerichte netwerken. Ook bood het belang van sociaal kapitaal voor organisaties in dergelijke netwerken en het belang van vertrouwen belangrijke inzichten, zoals de grote beschikbaarheid van sociaal kapitaal voor organisaties als zij daarvan gebruik wisten te maken. Vertrouwen bleek niet altijd even belangrijk of noodzakelijk voor positieve uitkomsten van samenwerking. Onder bepaalde omstandigheden kon een hoge mate van onderling vertrouwen op termijn juist tot negatieve effecten leiden doordat betrokken actoren minder kritisch op elkaar werden, in denkbeelden en opvattingen meer op elkaar gingen lijken en meer op elkaar gericht waren dan op relevante ontwikkelingen buiten de context van de samenwerking.

Er bleek weinig bekend te zijn over hoe groepen met medewerkers van verschillende organisaties met tegengestelde belangen zich binnen netwerken van soortgelijke organisaties gedroegen. Ook over de relatie van groepsgedrag binnen netwerken en het effect van dit gedrag op de uitkomsten van de samenwerking binnen het netwerk was weinig empirisch onderzoek voor handen. Hieraan bleken vooral methodologische problemen ten grondslag te liggen. Zo bleek het lastig om het netwerk als analyse-eenheid te onderzoeken en de succesmaat van een netwerk als afhankelijke variabele te formuleren en te bestuderen.
Het handelingskenmerk van de klassieke sociologen Weber, Coleman en Durkheim, verwoord als “Alle structuren zijn resultanten van gedrag” (Ultee, Flap & Arts, 2003),
bleek mogelijkheden te bieden om netwerken zoals regionale samenwerkingsverbanden Verpleging en Verzorging te benaderen als sociale structuur, waarbij de structuur het resultaat is van het groepsgedrag binnen het netwerk. Ook kwam naar voren dat het binnen deze benadering eigenlijk ontbreekt aan een gedragstheorie om te begrijpen hoe mensen zich in een sociale situatie als een regionaal samenwerkingsverband gedragen (Coleman, 1990).
Duidelijk werd, dat met behulp van de wederkerigheidstheorie, de onderzoeksvraagstelling deductief onderzocht kon worden. Uit eerder onderzoek bleek dat er twee grondvormen van gedrag, wederkerigheids- en statusgedrag, kunnen worden onderscheiden binnen de wederkerigheidstheorie en dat meerdere evenwichten, free-rider gedrag, intolerant, tolerant en toegewijd tolerant wederkerigheidsgedrag mogelijk zijn.

Zie proefschrift voor de volledige samenvatting.

Proefschrift downloaden (Nederlands) Proefschrift-J.-Zuidersma.pdf